STEK-modules uitgelegd: Module A, B, C, D en E — welke heb je nodig?
Uitleg van de volledige STEK-modulestructuur (A, A/Transport, B, C, D en E) — welke module bij welk type koeltechnisch werk hoort, hoe je ze combineert, en hoe je bepaalt welke jouw bedrijf nodig heeft.
STEK is geen certificaat met één simpele checklist — het is opgebouwd uit een basiscertificaat (de Algemene Eisen) plus een of meer modules die precies aangeven voor welk type koeltechnisch werk je bedrijf gekwalificeerd is. Veel installatiebedrijven weten wel dát ze STEK-gecertificeerd zijn, maar niet welke modules ze precies voeren en of dat nog past bij het werk dat ze vandaag doen. Dat is een risico: werk uitvoeren buiten de scope van je certificaat kan bij een audit als afwijking worden aangemerkt, en het kan betekenen dat je als bedrijf niet gedekt bent voor opdrachten die je aanneemt.
Dit artikel zet de modulestructuur op een rij: welke module bij welk type werk hoort, hoe je ze combineert, en hoe je bepaalt wat jouw bedrijf nodig heeft.
Hoe de modulestructuur is opgebouwd
Elk STEK-bedrijfscertificaat rust op dezelfde basis: de STEK Algemene Eisen. Dat is het fundament — eisen aan kwaliteitsmanagement, personeel, gereedschap en administratie die voor ieder gecertificeerd bedrijf gelden, ongeacht welk type koudemiddel of installatie je onder handen neemt.
Bovenop die basis kies je een of meer modules. Iedere module bevat de technische inhoudseisen voor een specifiek werkveld: het type koudemiddel, het type installatie, of de aard van de werkzaamheden (bijvoorbeeld een wettelijk verplichte keuring in plaats van installatie- en onderhoudswerk). Je bedrijfscertificaat vermeldt exact welke module(s) je voert — en dus voor welk werk je gecertificeerd bent.
Voor de volledige achtergrond bij het bedrijfscertificaat zelf, zie STEK-keurmerk — wat het is, wat 't oplevert en hoe je 't behoudt.
De modules op een rij
- Module A — F-gassen (stationair): de basismodule voor de meeste koeltechniekbedrijven. Dekt werkzaamheden aan stationaire koel-, klimaat- en airconditioninginstallaties en warmtepompen gevuld met F-gassen. Vrijwel elk bedrijf dat reguliere koeltechniek, airco of warmtepompen installeert en onderhoudt, heeft deze module nodig.
- Module A/Transport — F-gassen mobiele installaties: dezelfde F-gassen-scope, maar dan voor mobiele toepassingen — koelinstallaties voor wegtransport, treinvervoer, containertransport, koeling op schepen en visserijvaartuigen, en airconditioning in bussen. Een apart traject van Module A stationair, omdat de installaties, risico's en werkomstandigheden anders zijn.
- Module B — CO2: voor bedrijven die ontwerpen, installeren, onderhouden of bedrijfsmatig werken met CO2 (R-744) als koudemiddel. CO2-systemen werken met andere druk- en veiligheidsprofielen dan F-gassystemen, vandaar de aparte module.
- Module C — EPBD: dekt de wettelijk verplichte periodieke keuringen van airconditioning- en ventilatiesystemen en warmtepompen met een nominaal vermogen vanaf 70 kW, inclusief de rapportage daarvan. Dit is een keuringsmodule, geen installatie- of onderhoudsmodule — je hebt hem nodig als je deze EPBD-keuringen zelf wilt uitvoeren en rapporteren. Achtergrond bij deze keuringsplicht staat in Bestaat de airconditioning-keuringsplicht nog in Nederland?
- Module D — Warmtepompen: gericht op advies, systeemontwerp, selectie, installatie en onderhoud van warmtepompen als geheel — niet alleen het koudemiddelcircuit, maar ook systeemkeuze en -advies. Relevant voor bedrijven die zich actief richten op de warmtepompmarkt, bijvoorbeeld voor klanten die ISDE-subsidie aanvragen. Zie ook Warmtepomp: onderhoud en logboek verplicht?
- Module E — Brandbare koudemiddelen: voor werk met brandbare en natuurlijke koudemiddelen zoals propaan (R-290) en R-32, aansluitend op de herziene NPR 7600. Met de opmars van deze koudemiddelen — mede door het EU F-gassenverbod op hoog-GWP-alternatieven — wordt deze module voor steeds meer bedrijven relevant. Zie Natuurlijke koudemiddelen: R-290, R-744 en ammoniak vergeleken en GWP-waarden koudemiddelen: complete tabel + uitleg
Welke module(s) heb je nodig?
Dat hangt volledig af van wat je bedrijf daadwerkelijk uitvoert, niet van wat je ooit hebt aangevraagd. Een paar vuistregels:
- Doe je regulier onderhoud en installatie aan koel-, klimaat- en warmtepompinstallaties met F-gassen? Dan is Module A de basis.
- Werk je (ook) aan gekoeld transport, scheepskoeling of airco in voertuigen? Dan komt Module A/Transport erbij — Module A stationair dekt dat niet automatisch.
- Zet je CO2-installaties neer of onderhoud je die? Module B is dan verplicht naast Module A.
- Voer je zelf de wettelijke 70kW-EPBD-keuringen uit en rapporteer je die? Dan heb je Module C nodig — zonder die module mag je deze keuringen niet zelf certificeren.
- Positioneer je je bedrijf actief als warmtepompspecialist, met advies en systeemontwerp als kernactiviteit? Dan is Module D een logische aanvulling op Module A.
- Ga je (of je monteurs) werken met propaan, R-32 of andere brandbare koudemiddelen? Dan is Module E nodig, naast de basis van Module A.
Werk dat buiten de modules valt die je bedrijf voert, mag je in beginsel niet certificeren als STEK-gecertificeerd werk — ook niet als je monteur wel een geldig persoonscertificaat heeft. Het bedrijfscertificaat en het persoonscertificaat zijn twee aparte dingen; beide moeten kloppen voor de klus die je uitvoert.
Kun je modules combineren?
Ja, en dat is precies het idee achter de modulaire opzet: je bouwt je certificaat op naar de praktijk van je bedrijf. De meeste bedrijven met een breed werkpakket voeren meerdere modules tegelijk, bijvoorbeeld A plus D voor een bedrijf dat naast reguliere koeltechniek ook actief warmtepompen ontwerpt en installeert, of A plus E voor een bedrijf dat overstapt op propaan-installaties.
Heb je al een geldig Module A-certificaat, dan is een module uitbreiden doorgaans efficiënter dan een certificaat helemaal opnieuw opbouwen, omdat de basis (Algemene Eisen, kwaliteitssysteem, personeelsdossier) al staat. De certificerende instelling beoordeelt dan vooral de aanvullende technische eisen van de nieuwe module. Reken je hier niet blind op zonder het bij je certificerende instelling (bijvoorbeeld Kiwa of SGS) na te vragen — de exacte doorlooptijd en kosten van een moduleuitbreiding verschillen per instelling en per situatie, en die cijfers vullen we hier niet in zonder harde bron.
Wat checkt de auditor per module?
Bij de jaarlijkse of periodieke controle beoordeelt de auditor niet alleen de Algemene Eisen, maar ook of je bedrijf daadwerkelijk voldoet aan de technische eisen van elke module die op je certificaat staat — en of het werk dat je uitvoert overeenkomt met de modules die je voert. Een algemene doorloop van wat een auditor controleert staat in STEK-audit: wat checkt de auditor bij een deelnemer-controle?
STEK versus BRL 100 — twee aparte trajecten
STEK-modules gaan over koudemiddelen en installatietypes; BRL 100 is een breder kwaliteitscertificaat voor koeltechnische bedrijfsvoering dat er los naast staat. Beide kunnen relevant zijn, maar ze vervangen elkaar niet. Het verschil en de overlap staan uitgewerkt in STEK vs BRL 100 — wat is het verschil, en welke heb je nodig?
Samenvatting
De STEK-modulestructuur bestaat uit een basiscertificaat (Algemene Eisen) plus de modules A, A/Transport, B, C, D en E, elk gekoppeld aan een specifiek koudemiddel, installatietype of type werkzaamheden. Welke module(s) je nodig hebt, bepaalt het werk dat je bedrijf daadwerkelijk uitvoert — niet andersom. Voer je werk uit dat buiten je gecertificeerde modules valt, dan loop je risico bij een audit en mogelijk bij aansprakelijkheid. Bij twijfel: check je huidige certificaat, vergelijk dat met je actuele werkpakket, en vraag bij je certificerende instelling na of een moduleuitbreiding nodig is.